De aristocraten van het geloof

Jan Greven schrijft in Dagblad Trouw op 30/04/02 een recensie van Herwonnen Jaren.
Samuel van Hoogstraten had na zijn studie theologie in Utrecht al meteen de zending in gewild, maar in eerste instantie werd hij afgekeurd wegens een te smalle borstkas. Een herkeuring bracht uitkomst en zo kon hij in 1927 toch vertrekken. Zijn werkterrein werd Oost-Java. Eerst een paar jaar het kleine Modjowarno. Vanaf 1930 de haven- en marinestad Soerabaja.

Om de veertien dagen, tot diens dood in 1936, schrijft hij zijn vader een brief. Toen zijn dochter Renée deze brieven in 1996 las, ging er een wereld voor haar open. Ze leerde haar vader kennen. Diezelfde mogelijkheid heeft een breder publiek, nu de brieven in de Kamper reeks over zendingsgeschiedenis zijn uitgegeven.

Die aandacht verdient S.A. van Hoogstraten zeker. Hij was afkomstig uit een vooraanstaande, door en door hervormde familie van hoge militairen, gezagsdragers en hier en daar wat adel. De brieven laten zien hoe hij zijn netwerken opbouwde via zijn familiecontacten. In Indië was daar ruim kans voor. Je hebt soms de indruk dat de leden van de heersende stand in Indië zo niet geparenteerd (dat past hier beter dan ‘familie van’) dan toch via-via bekenden waren.

Van Hoogstraten schrijft in de turbulente jaren dertig van de vorige eeuw. Hitler komt aan de macht. In Indië maken muiters zich meester van de kruiser De Zeven Provinciën. Als aristocraat in hart en nieren vindt Van Hoogstraten die muiterij ‘natuurlijk absoluut onaanvaardbaar’. Maar daarbij blijft het niet, want de hoofdschuldigen zoekt hij ‘onder hen die menen alleen door commanderen en straffen een vloot te kunnen beheerschen’.

Vooral de commandant (‘op een fuif bij de gouverneur van Atjeh’, toen de muiters zijn schip overnamen) moet het ontgelden. Hij was zijn schip op een ‘Gouvernementsstoomer’ achternagevaren en ,,heeft geseind ‘Wensch U te spreken’ in plaats van alles te doen om zijn schip, levend of dood, weer in handen te krijgen. Nu is het schip dan terugveroverd door overmacht en door geweld van een bom in plaats van door heldhaftig optreden van een of meer officieren.”

Daaruit spreekt traditioneel eergevoel. Maar de gezagsdrager hoort tegelijk dicht bij zijn mensen te staan. Gezag betekent dienen. Die tweeslag gezag/dienen maakt Van Hoogstraten meerdimensionaal. Aan de ene kant is hij zeer standsbewust en in 1933 niet wars van een ‘sterke man’. ,,Mussolini trekt mij als figuur nog het meeste aan.” Tegelijk is hij veel te open en oprecht geïnteresseerd in de Javaanse bevolking om kolonialistische superioriteitsgevoelens te koesteren.

Hij is wel, onuitwisbaar, de Nederlander van goede komaf. ,,Er wordt van Hollandsche kant aan ons getrokken, we ontmoeten zoo dikwijls menschen, die echt in de knoop zitten en die je zoo graag wilt helpen.” Hij klaagt erover, dat dit hem wegzuigt van zijn Javaanse contacten, maar kan tegelijk moeilijk ‘nee’ zeggen. Op zeker moment is hij eerst lid, en later zelfs voorzitter van de plaatselijke Rotary.

Een paar keer omschrijft hij zijn vele taken. Hij zit in nogal wat kerkelijke besturen, maar ook in school- en ziekenhuisbesturen. Hij geeft godsdienstonderwijs en catechisatie. ’s Zondags gaat hij voor in kerkdiensten en door de week heeft hij kringen voor belangstellenden. Daarnaast organiseert hij met veel animo studentenkampen in de traditie van zijn geliefde NCSV (Nederlandse Christen Studenten Vereniging).

Van Hoogstraten was een zendingsentrepreneur die alles aanpakte en omkomt in werk en versnippering. Hij beklaagt zich er geregeld over, zonder dat zijn verzuchtingen leiden tot wezenlijke veranderingen. Waarschijnlijk kon hij ook niet anders.

Tegelijk hangt over al zijn inzet en liefde de slagschaduw van de afloop. De Indische wereld van Van Hoogstraten staat op het punt definitief te verdwijnen, maar van enig besef daarvan is in zijn brieven geen spoor te vinden. Hij sterft in januari 1945 als gevangene van de Kenpeitai, de Japanse Gestapo.

In dezelfde tijd als Van Hoogstraten op Oost-Java, werkte de gereformeerde zendingspredikant Frank Keuchenius op Midden-Java. Ze leken op elkaar. Ook Keuchenius beijverde zich voor een open relatie met de Javaanse bevolking. Ook Keuchenius kwam om als gevangene van de Kenpeitai. Toen hij eind 1943 gearresteerd werd, stond zijn zoon Frans, op dat moment dertien jaar, er alleen voor. Frans’ moeder en zusjes waren al afgevoerd. Deze Frans, thans tweeënzeventig jaar, heeft nu zijn oorlogslotgevallen beschreven, waarbij hij zichzelf schetst als een betrekkelijke koele, wat afstandelijke toeschouwer. Al merk je dat hij soms doodsbang was. Desalniettemin gaat hij op de verschrikkingen af, besluipt zelfs een Kenpeitai-gevangenis, om deze als waarneming te rubriceren.

Je voelt dat hij deze rubricering nodig heeft om te overleven. Van zijn meest afschuwelijke gevangenis tekent hij een plattegrondje om alles zo goed mogelijk uit te leggen. Alsof hij toeschouwer was van zijn eigen drama. Je neemt het als lezer waar. Tegelijk vraag je je af hoe het hem na de oorlog met zijn herinneringen vergaan is. Je leest daar niets over.

Het begon allemaal zo nobel, zo vol idealen. Ook zo vrolijk en onbezorgd -met de heerlijke uitstapjes naar de bergen van Van Hoogstraten en het spannende jongensleven van Frans Keuchenius. Het eindigde in gruwelijkheid. Maar zowel dominee Frank Keuchenius als zijn collega Samuel van Hoogstraten blijven in de beproeving van de Kenpeitai-cel recht overeind. Ze houden hun dagopeningen, geven pastorale zorg aan celgenoten en blijven spiritueel levende mensen. Het zijn aristocraten van het geloof. Wel iets om deze week van de vierde mei bij stil te staan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *